sitemap sitemap
Zoek
foto

Wat betekent vaccineren eigenlijk?

We leven in een wereld omringd door micro-organismen: virussen, bacteriën, schimmels en parasieten.  De meeste van deze micro-organismen zijn onschuldig, andere zijn agressiever en kunnen ons ziek maken.
Ons afweersysteem bestaat uit een grote variëteit aan cellen en moleculen die samen werken in een zeer dynamisch en complex netwerk : het immuunsysteem. Dit immuunsysteem kan een oneindig aantal indringers herkennen en elimineren.
Als men voor de eerste keer met een ziektekiem besmet wordt, duurt het enige tijd (van uren tot dagen) voor ons afweersysteem volledig op gang is gekomen.  Daardoor  krijgt de kiem de tijd om zich te vermenigvuldigen en kan men ziek worden.
Ondertussen maakt ons lichaam wel antistoffen aan, zodat we bij een volgend contact met dezelfde ziektekiem deze sneller kunnen herkennen en uitschakelen. We worden dan niet ziek bij een tweede contact.
Bij vaccinatie maakt men gebruik van dit natuurlijk principe. Vaccins bevatten stukjes van specifieke ziektekiemen die het lichaam kan herkennen (antigenen) zonder dat ze de ziekte zelf kunnen veroorzaken. Zo bevat het mazelen-bof-rubellavaccin verzwakte levende virussen, men noemt het een levend vaccin.  Daarentegen bevat het griepvaccin onderdelen van de dode griepvirussen en voor het hepatitis B vaccin worden stukjes van het hepatitis B virus gebruikt. Beide zijn voorbeelden van gedode vaccins.
Wanneer een vaccin wordt toegediend, zal het lichaam antistoffen aanmaken tegen de overeenkomstige ziekteverwekker zonder dat men de ziekte hoeft door te maken. Wie gevaccineerd is tegen een bepaalde infectie en nadien met de ziekteverwekker in contact komt, zal de ziekte niet doormaken, omdat de verworven afweer door vaccinatie de ziektekiem terstond herkent en kan uitschakelen.
Spijtig genoeg slaat het vaccin niet bij iedereen aan en bestaat er een kleine kans dat iemand die gevaccineerd is, toch de ziekte kan doormaken.


Terug naar overzicht